28 jan 2012

Krassen

Vele krassen maken donkerblauwe papiertjes met restjes blank
Tegen het licht gehouden
Vaag letters zien
‘I k  h o u  v a n  j o u’
Kenners van pennenstreken ontwaren het sneller

Vier woordjes die ik herhaal
Tot ik vergeet niet dement te zijn

Kan het echt niet?
Ik kras me een ongeluk
Nogmaals eroverheen
Doorheen papier
Beseffen van bodem

‘j o u’ blijft bestaan

Leegte vullen

Wat liefdesverdriet met een vrouw doet

Voedsel als medicijn
Gezicht té vol:
Ophopende tranen
Gevoelens onmachtig zijn

Machtig eten
Ermee volstouwen
Om geen ruimte voor hem te bewaren

Voor en na

Voor en na
Jij altijd
Ik nooit samen
Teveel aan trek
Verzachten met tussendoortjes

Wat is in een naam?

Als kind leerde ik letters aan elkaar rijgen
Elke letter in een woord verbonden, elkaars handje vasthoudend, uit angst de weg der betekenis kwijt te raken

Zo schrijf ik je naam
In mijn hoofd steeds

Ik streel over de onafgebroken lijnen heen met mijn tong
Al je klanken laat ik klinken
Tot het zo vaak is
Dat ik niet weet waar de echo begon of eindigde

Je zei: wat is in een naam?
Niets
Dat moet ik ook rationeel schoorvoetend toegeven
En toch

Diegenen die mij mijn hand schudden
Je naam daarbij noemde
Deed mijn hart sprongetjes maken
Van die bokkensprongetjes zo blij

Het verbaast mij niets
Dat je naamgenoten
Denken dat ik enigszins gek ben
Ze weten alleen niet dat dat op jou is

27 jan 2012

Wonden likken

Wil je met mij trouwen?
Zodat we kunnen scheiden
De ellende eindelijk kunnen vieren*

Heb jij een oven?
Ik heb deeg
Dan bak ik je taarten
Spuit jij de sojaslagroom eroverheen schat?

Mag ik nu
Eén naar je gezicht smijten
Niet bukken, das niet eerlijk!
Nu jij! Gooi! Het mag

Met mijn nek uitgestoken, weer, gun ik je veel

Als het mij raakt, voel ik je
En nu elkaar aflikken
Ik jouw gezicht

Jij de mijne


* ‘De ellende vieren' zijn woorden die ik cadeau kreeg

23 jan 2012

Het (wel heel erg) wilde westen

Als ik opeens hardop lach zonder zichtbare reden, is dat veelal mijn levendige fantasie die heel soms mijn rationele doen en laten opzij duwt... gooit... smijt!
Bij het lezen van onderstaande raad ik aan het volgende te beluisteren en eventueel te herhalen: link


Luchtalarm gaat af. Lucht trilt. Mannen rennen geschrokken naar binnen, bonken op de deuren, roepen om hulp, schuilen in portieken, kijken schichtig om de hoek... Dan is de lucht stil.
Als spelden zouden vallen, zou je ze kunnen horen. Vraag me alleen af wie ze dan zou moeten laten vallen en waarom in evoluties naam?

Met een stevige tred loop ik door de hoofdstad. Gericht nergens heen. Mijn sfeer is krachtig, gedreven, opgewonden, gewoon gei... Hé, waar zijn de mannen? Abrupt sta ik stil. Mijn ogen knijpen zich samen tot gemene streepjes en zoeken mijn blikveld af. Een mannenschoen ligt eenzaam verlaten midden op straat. Een stropdas rolt voorbij.
Langzaam kom ik weer in beweging, mijn hakken echoën over de Herengracht. Geen heren, geen mannen, knullen, knapen, jongens, geen van dit alles. (Andere vrouwen en homoseksuele mannen zijn geband uit dit verhaal. Noem het discriminatie, noem het respectvol, net waar je zin in hebt.)

Mijn aanwezigheid geurt de lucht. Feromonen dringen de kieren van de woningen binnen. De mannen worden rusteloos. Het is bijna bloedstollend. Wie wordt prooi?
De lucht botst en heeft haar match gevonden.
Zijn drang is groot, getrokken door het aroma doet hij de deur op een kier om het verder te kunnen opsnuiven. Hij trekt het niet langer en gooit de deur wagenwijd open.


Oog in oog staan we dan. Zijn lange donkerbruine lokken vangen wind. Hij loopt zonder mij uit het oog te verliezen de treden van het grachtenpand af. We staan tegenover elkaar, knijpen onze ogen. Langs zijn slaap rolt een druppel van zweet op deze koude winterdag. Vele kleine wolkjes verraden ademhaling in spanning.
Dan begint mijn kont te schudden, als een poes in de aanval. Ik ren op hem af, hij vangt mij op in zijn armen en met enkele grote en snelle passen neemt hij mij de woning binnen. Met één voet duwt hij de deur met een knal dicht. Even het geluid van gerommel vanuit de woning, dan heerst er buiten weer complete stilte.


Langzaamaan komen de andere mannen tevoorschijn, kijken voorzichtig de hoek om, strekken hun ruggen en lopen treuzelend dichterbij naar de deur. Ze luisteren, en hun monden vallen open, geschrokken, alsof er een schot gelost wordt, rennen de mannen alle richtingen op. Na enkele seconden keert de rust weder en gaan ze weer verder over op de orde van de dag. Een man loopt op één schoen naar zijn eigen woning en een man zonder stropdas gaat naar zijn werk.

Stel je nu voor een camerashot: tussen de bewegende mannen door word er ingezoomd op de deur en wanneer je niets anders ziet dan de ramen van de deur, zie je nog net twee silhouetten van mensen, net voor je het goed denkt te zien, komen er grote letters in beeld: THE END!

14 jan 2012

Mens in wolfskleren

Een wolf kijkt mij aan en vraagt om twee biertjes. Ik tap. Ik geef. Ik reken af. In mijn ooghoek zie ik een glitterpakje zich voortbewegen. De beat doet de massa golven als een wilde zee in de nacht. Drang de drank achter mij te laten en mij te begeven in bewegingen.
Op de maat levend afschuimen en in het ritme een biertje overhandigen. Fooi krijg ik samen met een verbaasde blik overhandigd of lachend op de maat. Hard de uren door werken tot... ik even tijd zie. De trap af in vloeiende pas, de ruimte springend door tot ik mij tussen de menigte laat gaan. De massa slokt mij op en danst me levend.

Jongensogen tussen stroken zwarte make-up kijken mij aan, dichterbij komt zijn naakte body. Hij pakt mijn middel, tilt mij vloeiend op, ik ruik zijn zweet, hij zet mij daar waar hij mij wil hebben. Dan duw ik hem van mij af, het alfavrouwtje laat van zich voelen. Hij reageert, het alfamannetje laat zich niet kennen. We botsen tot een eenheid en onze grommen mixen de muziek wilder. Mijn energie onderwerpt hem deels aan mij. De dansvloer staat hij af. Hij rukt een van de witte doeken van de wand en drapeert zijn nieuw verworven koningsmantel om zijn schouders en verdwijnt in het feestgedruis van deze wolvennacht.

Hij springt voor mij, de jongen met zijn veren als een trofee in zijn kraag. Een milliseconde van herkenning, van niet bewegen, kort, alleen zichtbaar voor ons. Onze ogen ketsen licht af. Verblind, hoor ik alleen nog mijn hart in mijn keel drummen. Dan dringt de bass door ons heen. Wild bedrijven we het dansen nummers door.

We stampen op de grond tot er gras uit groeit, zweten tot er rivieren tussen stromen, we kijken in extase omhoog tot het dak doorzichtig ervan wordt, de maan dringt onze aderen binnen...

De muziek stopt. Er wordt gejankt... het mag niet deren. De nacht is hier ten einde.

Deuren sluiten. Koud buiten. De winterwolven vertrekken in een roes, van hoofden die teveel geschud hebben en waar teveel alcohol naar is gestegen. We voelen de kou niet meer, we huilen naar de nacht.

9 jan 2012

Vlinderstorm

Wind waait fluittonen om de flat heen. Storm maakt iets los in mensen. Een lichte onrust die wakker maakt. Ik slaap nog niet. De gordijnen laat ik open om de kale takken in lantaarnlicht te zien net niet breken. Ik voel een onrust, van een ander soort natuur, die van liefde. Vlinders lijken te ontpoppen en hun vleugels voorzichtig te strekken. Nog angstig verder te ontkreukelen. Tot eendagsvliegen verworden is niet hun ambitie. Kleurrijke vleugels mogen spreiden en wapperen, lucht in beweging brengen en de wereld in gaan.

Verwachten van relaties is de norm, terwijl ik alleen een volgend moment vooruit wil kijken. Je mogen ervaren is beter dan je tot bezit te hebben. In mijn buik wil ik het fladderen van vleugels mogen voelen, zonder een man angst uit spreekt en ermee iets oplegt wat zich niet laat dwingen. Laat me leven en heb dat lief.

De pracht van wat hij in ernst deelde, daarin kan ik gaan liggen en hem eindeloos aankijken. Zijn ogen struikelden over zijn eigen woorden, die hij leek aan te kijken, geschrokken van zijn eigen onverwachte openheid. Een cadeau om uit te pakken. Vleugels spreiden zich verder en testen hun vliegvaardigheid.
Mijn hart klopt sinds sneller. Zijn vingers zacht gaan over twee nachten mij weer beroeren. Ik wil hem bekoren, hem in mij voelen als voedsel voor een sneller pompend hart.  

De vlam van de kaars in houder beweegt als de takken buiten. Ik ga hem bijna uitblazen om nachtrust, al slapen vlinders niet. Ze zijn vrij. Eerst zijn berichtje nog een keer lezen. Herhalen tot het mij duizelt en mij als een kind tot rust wiegt. Voor altijd jong zijn: het opnieuw ervaren van vlinders.

3 jan 2012

Rode draad

De rode draad verbond ons, bevestigd zodra je het tekende. Als rood op wit gezet. Een lijn, als de aderen door ons lichaam. We ademden elkaar in en uit. Onze relatie kreeg geregeld zuurstof en leek soms een leven beloofd. We zijn nu afstervende.
Mijn astma lijkt steeds meer aanwezig. Ik weet het nu, het is de benauwdheid van gedag moeten zeggen. Er is niets meer te bereiken, behalve mezelf schaamtevol herhalend, tot ik steeds zieliger alleen achter blijf. Het nieuwe jaar begint in het nemen van afscheid.

Ik vertel je hier wat ik had willen doen, maar steeds niet kon. Nu het is besloten: er is geen plek meer voor wat ik wilde ondernemen en het is tot een verhaal in mijn hoofd verworden:

Ik loop naar je toe. Je staat bij de draaideur. Daar waar je mij eens optilde, mij zo vaak gedag zei, mij... ik wil er niet aan denken. Ik draai mezelf eindeloos duizelig in die deur.
Ik vraag je of je mee komt, het is belangrijk. Mee naar een bankje bij het veld van demonstraties en festivals. Ik ga mijn eigen kleine demonstratie geven. Ik vraag je te zitten. Mijn tas zet ik naast mij neer en rits hem open. Zonder je aan te kijken, vraag ik of ik je hand mag en nee niet in trouwen, alhoewel liever die onzin in plaats van dit.
Mijn andere hand zoekt in mijn tas en vindt. Langzaam ga ik hoger en hoger met mijn hand en een rode draad toont zich. Ik bind het eerst om jouw pols, ik probeer niet te denken aan hoe heerlijk je huid aanvoelt. Dan met een beetje moeite bind ik het om de mijne. Ik weet dat je dan stil zal zwijgen en je ogen en je ademhaling zullen spreken. Je bent voor mij als een cryptogram geweest dat ik heb leren te ontcijferen... ik was niet de oplossing.


Dan pak ik je hoofd tussen mijn handen en zoen je met een passie die zelfs voor mezelf ongekend is. Ik proef je, zoals ik je al sinds 2 maart wil proeven. Niet willen, maar weten: ik moet ophouden. Losrukken van jou is als sterven en er nog lang niet klaar voor zijn. Dan pak ik een schaar uit mijn tas. Ik kijk je nu aan, diep in je ogen. Onze rode draad trek ik strak en kijk ernaar. Ik knip hem door.
Ik breek in stukjes en durf niet te zien hoe het jou breekt. Ik sta op, pak mijn tas, doe de schaar er in en ik weet niet hoe, maar loop richting huis en al mijn stukjes komen samen binnen. Met mijn jas aan, tas om, mijn aandeel rode draad om mijn pols, als bloed, ga ik liggen op de vloer en blijf liggen. Teveel pijn om te kunnen huilen. Ik hoor mijn ademhaling aan. Hij staat er nu alleen voor.

2 jan 2012

Dromenland: Een zwevende olifant, schimmen en een engel van druppels

Uit een onderliggende ruimte via een luik bereik ik de begaande grond. Ik ben in een kledingzaak beland. Kooplust welt in mij op. Zie ik het goed? Mijn vriendin die ik al heel lang ken, staat er met haar moeder kleding uit te zoeken. Niet te lang mezelf ophouden, gaat er door mijn hoofd, er ligt belangrijk werk te wachten. Wat dat inhoudt? Weet alleen dat het zo is.
Tussen kleding zoek ik snel iets dat meer bij mijn vriendin past. Een jurkje. Wanneer ik het overhandig, blijkt het opeens te kort voor een jurkje, of is het een kinderjurkje?
Verder door het gebouw, loop ik. Het blijkt leeg. De ruimtes zijn groot met beige onbewerkte muren, bedekt onder een laagje stof, met ramen die veel licht binnen laten. Is deze stad een reis aan het maken richting een ruïne?

Nu ben ik buiten en loop over een brede verharde weg. Het voelt als asfalt. Het is niet grijs maar bruin. Ik vermoed van klei. Achter mij aanwezigheid. Ik sta stil en kijk over mijn schouder heen en zie een mooie kleine grijze olifant aan komen lopen. Het begint te zweven. Ik blijf het met mijn ogen volgen. Als het over mij heen vliegt, zie ik dat het een bruin paard is, met manen wild van een vrij leven. Het landt voor mij.
Weer alleen, loop ik verder. Zijn dat apen die mij speels begroeten? Ik dacht even dat ik ze zag zwaaien. Een groepje leeuwen komt sierlijk op mij af. Ze likken afwisselend in de lucht en aan hun lippen. Ze likken nu mij. Het zijn mannen, die mijn hele lichaam aflikkend bekoren. Onder invloed van hun tongen, voelt het als een kalmerende massage. Erotiek lijkt nog te sluimeren, dat is voor verder in de toekomst. Eerst het belangrijkere werk. Wat zal ik moet klaren? De schoonheid van het leven lacht mij in ieder geval toe. Als een steun, al weet ik nog niet voor wat.

Dan ben ik in een grote zaal en kijk de diepte in. Alleen een enorm grote en brede donkerbruine houten tafel als meubelstuk siert de ruimte. Ik ben in een grote ouderwetse rechtbank beland. Erachter zit de rechter. Er zijn mensen en ook weer niet. Er is een rechtszaak aan de gang en ook weer niet.
Ik schrik. Zie ik mensen figuren? Zwart en toch doorzichtig, als schimmen, nauwelijks te onderscheiden van de ruimte, al begeeft deze zich in genoeg licht. Er komt één op op mij af. Er hangt gevaar in de lucht. Ik weet instinctief dat ik niet in hun handen terecht moet komen. Ik begin te zweven. Telkens wanneer ik wil landen, ontdek ik net op tijd een schim in mijn buurt en vlucht zwevend verder.
Ik sta op de grond. Ik wil dit niet! Moet wegkomen! Voor de paniek echt bij mij kan toeslaan, voel ik een andere aanwezigheid in de buurt, een helpende hand. Ik zie het allemaal niet helder. Een schim nadert en raakt mij aan. Ik ben verbaasd, ik ben er nog. Door de transparantie van de figuur heen zie ik in het hoofd een witte ovale schijf zitten. Het blijkt mijn redding, al weet ik niet was het is. De schimmen lijken één voor één tot besef te komen, het kwaadwillende verdwijnt.

Nahijgend. Ik heb net de liefde bedreven. Ik bevind mij in een grote hal, waar de ramen bijna de hele linkerkant vullen. Op de vloer, zijn er bedden, kleine schotten? Ik zie het niet precies. Ik zie wel de mensen die er liggen. Is mijn vriendin er ook? Zijn het de schimmen die tot mens zijn geworden? Ik weet het niet. Verderop, twee lieve jonge meiden en een knul zijn in een trio verwikkeld. Ze zijn verliefd. De anderen kijken naar mij en het trio, nog half verward door het normaal vinden van het zo openbaar seks hebben. 

De ramen zijn vol druppels. De regen buiten en de hitte binnen komen samen. Mijn liefdespartner is niet meer naast mij. Het is oké, ik weet niet waar hij is, maar ga naar hem toe. Voor ik de hal achter mij laat en nog een laatste glimlach stuur naar het verliefde trio, zie ik iemand met een trekker, de druppels van het raam halen boven waar ik nog net lag. De trekker slaat delen over en de vorm van een engel in druppels, al lijkt het bijna een man van opzij in regenjas, blijft over. Het tovert een glimlach op mijn gezicht.

Nu loop ik buiten over een paadje in een park, vlak langs een sloot rechts van mij. Het miezert, het is fris. Mijn blote voeten lopen over modder en langzaam trek ik de kou aan. Ik vraag me af waarom ik geen schoenen aan heb. Dan zie ik mezelf over het pad lopen. Onderweg, waarheen weet ik niet, ik weet alleen dat er liefde is en dat is genoeg... ik ben gelukkig.